Wat houdt de algemene ledenvergadering in en wat wordt er tijdens die vergadering behandeld?
De algemene ledenvergadering is het hoogste bestuursorgaan binnen een vereniging. De bevoegdheden die de algemene ledenvergadering toekomen, zijn de bevoegdheden die niet door de wet of de statuten aan andere organen binnen de vereniging zijn opgedragen. De algemene ledenvergadering vindt minimaal eens per jaar plaats (verplicht binnen zes maanden na afloop van het boekjaar). Binnen de algemene ledenvergadering telt de stem van ieder (stemgerechtigd) lid. Ook jeugdleden zijn in beginsel stemgerechtigd. De statuten kunnen echter bepalen dat jeugdleden geen stemrecht hebben, of dat het stemrecht van jeugdleden wordt beperkt ten aanzien van bepaalde onderwerpen, zoals financiën. In het geval dat het stemrecht van de jeugdleden door de statuten wordt ontnomen of wordt beperkt, kunnen de wettelijke vertegenwoordigers van de jeugdleden het stemrecht uitoefenen. Tijdens deze vergadering legt het (dagelijks) bestuur, het andere bestuursorgaan binnen de vereniging, verantwoording af aan de aanwezige leden. Deze verantwoording valt uiteen in twee onderwerpen. Ten eerste is het bestuur belast met de verantwoording van de activiteiten van het afgelopen jaar, dit is het zogenaamde jaarverslag. Daarnaast dient de penningmeester (namens het bestuur) verantwoording af te leggen over de financiële stand van zaken, dit is het financiële verslag.In het jaarverslag worden alle activiteiten van het afgelopen jaar besproken. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele sportieve doelstellingen die waren gesteld in de laatste algemene ledenvergadering en (sociale) activiteiten. Het jaarverslag is dus een verslag over de positie van de vereniging.Het financiële verslag is van groot belang in de algemene ledenvergadering. Het financiële verslag bevat in ieder geval de jaarrekening, die de financiële positie van de vereniging weergeeft. Indien de algemene ledenvergadering tevreden is over het presteren van het bestuur, kan zij besluiten om décharge te verlenen. In dat geval kan het bestuur daarna niet meer door de vereniging aansprakelijk worden gesteld voor de tot op dat moment verrichte daden waarover door het bestuur rekenschap en verantwoording is afgelegd. Indien de algemene ledenvergadering niet tevreden is over de geleverde prestaties, kan zij besluiten om een of meerdere leden van het bestuur af te zetten.
Hebben donateurs bepaalde rechten in de algemene ledenvergadering van een vereniging?
Voordat er ingegaan kan worden op de eventuele rechten van donateurs binnen de algemene ledenvergadering, zal eerst de positie van donateurs binnen verenigingen worden toegelicht.
Donateurs onderscheiden zich van leden doordat hun enige bijdrage aan de vereniging van financiële aard is. Om discussies over de rechten van donateurs te voorkomen, wordt er in de statuten van een vereniging vaak opgenomen dat donateurs geen lid zijn van de vereniging. Dat is technisch gezien overigens niet noodzakelijk, want donateurs zijn niet automatisch lid van een vereniging. In de praktijk komt het echter ook vaak voor dat donateurs worden aangemerkt als ‘begunstigende’ of ‘ondersteunende’ leden, wat toegestaan is.
Er zijn dus twee situaties denkbaar: een donateur is wel lid van een vereniging of een donateur is dat niet. Is een donateur géén lid van de vereniging, dan behoort hij niet tot degenen die krachtens de wet of de statuten bij de organisatie van de vereniging zijn betrokken (2:8 lid 1 Burgerlijk Wetboek) en kan hij geen lidmaatschapsrechten uitoefenen. Is een donateur volgens de statuten wel lid, dan kan hij dit wel.
De lidmaatschapsrechten
Onder deze lidmaatschapsrechten valt ondermeer de toegang tot de algemene ledenvergadering. Deze algemene ledenvergadering kan het best omschreven worden als een bijeenkomst waarbij leden met elkaar tot een consensus kunnen komen, om vervolgens een besluit te nemen. Dit besluit wordt genomen door te stemmen en elk aanwezig of vertegenwoordigd lid heeft één stem in deze vergadering (2:38 lid 1 Burgerlijk Wetboek). Het spreekrecht is niet - in tegenstelling tot het stemrecht of het recht om aanwezig te zijn op de algemene ledenvergadering - neergelegd in de wet. Echter wordt ‘algemeen aangenomen dat het lidmaatschap niet los kan worden gezien van de aan een lid individueel toe te kennen vergaderrechten. Tot die vergaderrechten behoort in ieder geval het recht deel te nemen aan de algemene vergadering, aldaar het woord te voeren en het stemrecht uit te oefenen, kennis te nemen van de agenda, voorstellen te doen en te amenderen, alsmede participatie in de wettelijk en statutair aan de algemene vergadering als zodanig (het collectief van leden) toegekende rechten.’ In beginsel komen geen van deze lidmaatschapsrechten donateurs toe, indien zij niet als lid worden aangemerkt in de statuten. Echter kan in de statuten - bij bestuursbesluit of bij besluit van de algemene vergadering - worden bepaald dat aan donateurs bepaalde faciliteiten of rechten wel worden verleend. Zo kunnen zij op de ledenvergadering worden uitgenodigd en mogen zij daar misschien zelfs hun mening geven. Dit zal hun niet tot lid van de vereniging maken. Dit kan veranderen indien zij elke algemene vergadering mogen bijwonen en daar ook hun stem mogen uitbrengen. Zo is het mogelijk dat donateurs op deze manier de lidmaatschapsrechten verkrijgen en moeten worden aangemerkt als lid.Voor de beantwoording van de vraag, is het dus van belang om te weten wat de statuten vermelden over donateurs en in het bijzonder hoe zij worden aangemerkt en welke faciliteiten en/of rechten aan hen worden verleend. In de algemeen geldende regels hebben donateurs echter geen toegang tot de algemene ledenvergadering en hebben zij daar ook geen stem- of spreekrecht. Zij zijn immers geen lid van de vereniging en kunnen dus ook niet deze lidmaatschapsrechten uitoefenen.
Hoe houden sportverenigingen de controle over hun sponsorinkomsten?
Omdat de afhankelijkheid van sponsorinkomsten voor sportverenigingen mede door teruglopende ledenaantallen steeds groter wordt, is het verstandig het beheer ervan te professionaliseren. Hoe kunt u de controle behouden over sponsorinkomsten en tevens inzicht verkrijgen in toekomstige geldstromen uit sponsoring? De vereniging die de controle en beheersing van sponsorinkomsten in een stappenplan heeft vastgelegd, beschikt over een instrument om de continuïteit van de club beter te waarborgen en voorkomt dat sponsorgelden ‘verdwijnen’ naar onduidelijke bestemmingen. Bovendien helpen controle en inzicht het bestuur te voldoen aan de wet- en regelgeving op een voor de vereniging zo gunstig mogelijke manier. Voor wie het nog scherper wil hebben: controle biedt een handvat om meer inkomsten te genereren.
Controle op inkomsten
Bij het binnenhalen, registreren en controleren van sponsorinkomsten zijn in de ideale situatie drie partijen betrokken: sponsorcommissie (SC), penningmeester (PM) en de kascommissie (KC). Een duidelijke functiescheiding waarborgt juiste, tijdige en volledige verantwoording van de opbrengsten. Het proces vanaf het moment waarop een sponsor wordt binnengehaald tot en met de goedkeuring door de kascommissie is onder te verdelen in tien stappen (zie de tabel hieronder).
| Actie | Functie | Wie |
| 1 Opstellen contract | Uitvoeren | SC |
| 2 Afsluiten contract | Beschikken | PM |
| 3 Vastleggen contract | Registreren | PM |
| 4 Controle vastlegging contract | Controleren | SC |
| 5 Facturatie contract | Uitvoeren | SC |
| 6 Ontvangst sponsorinkomsten | Registreren/bewaren | SC |
| 7 Controle tijdige ontvangst inkomen | Controleren | SC |
Veel sportbonden en sportverenigingen lopen in de dagelijkse praktijk tegen vragen aan waar ze niet direct een antwoord op weten. Of ze denken het antwoord misschien wel te weten, maar willen dat voor de zekerheid graag getoetst zien door deskundigen. In beide gevallen biedt de sportdesk van Ernst & Young een prachtige uitkomst. Topsporters, sportbonden en verenigingen kunnen namelijk een beroep doen op de kennis, expertise en inzet van Ernst & Young als ze met name geadviseerd willen worden over de omgang met wetten, regels en risico’s. In deze rubriek krijgen vele interessante vragen op die gebieden een plek in de vorm van publicatie van zowel de hulpvraag als het antwoord van Ernst & Young.
8 Opstellen verantwoording | Uitvoeren | SC |
| 9 Controle verantwoording | Controleren | PM |
| 10 Controle stap 3 t/m 9 | Controleren | KAS |
| | | | | |
De sponsorcommissie stelt het contract op (1), de penningmeester ondertekent het namens de vereniging (2). De penningmeester legt de gegevens vervolgens vast in de administratie van de vereniging (3) en de sponsorcommissie controleert dit (4). Gedurende de looptijd van het contract factureert (5) en int (6) de SC de sponsorgelden. Een aparte sponsorbankrekening (7), beheerd door de SC, vergroot de mogelijkheid tot controle op tijdigheid en volledigheid van de betalingen. De penningmeester ondertekent eventuele aanmaningen. Periodiek stelt de SC een verantwoording op (8): gerealiseerde sponsorinkomsten tegenover de contractuele verplichtingen van sponsors, de redenen voor eventuele afwijkingen daarin, en de eigen uitgaven van de SC. De penningmeester controleert de juistheid van deze verantwoording (9). De kascommissie tenslotte controleert het totale proces (10) en verleent de penningmeester, bij goedkeuring, tijdens de algemenen ledenvergadering décharge.
Beheersing van inkomsten
Bij de beheersing van sponsorinkomsten gaat het, naast de hierboven genoemde inrichting van het proces, om twee dingen: de te verwachten sponsorinkomsten en het voldoen aan wet- en regelgeving. Om toekomstige inkomsten in kaart te kunnen brengen is deze informatie nodig:
• de verwachte inkomsten op basis van de lopende contracten (dit zijn de inkomsten waarvoor geen extra inspanning geleverd hoeft te worden);
• de op korte termijn aflopende contracten (met wie moet de SC besprekingen aangaan voor contractverlening?);
• de prognose van nieuw af te sluiten contracten (welk beleid moet de SC voeren om sponsorinkomsten veilig te stellen?);
• de mate van differentiatie van sponsorinkomsten (om enerzijds ‘open plekken’ in het sponsorbeleid zichtbaar te maken en anderzijds de risico’s van het wegvallen van één of meer sponsors helder te krijgen is inzicht in de spreiding noodzakelijk).Inzicht in toekomstige sponsorinkomsten maakt het mogelijk te anticiperen op veranderingen. Bovendien heeft het bestuur de mogelijkheid om de afhankelijkheid van die inkomsten enigszins te beperken. Het is bijvoorbeeld raadzaam het stabiele deel van de sponsorinkomsten toe te kennen aan basisactiviteiten van de vereniging en meerinkomsten aan te wenden voor eenmalige projecten. Bijkomend voordeel van inzicht in toekomstige sponsorgelden is dat het bestuur kan inschatten in hoeverre wordt voldaan aan wet- en regelgeving. De vrijstellingsgrens voor BTW op de inkomsten uit sponsorcontracten, entreegelden, reclameborden en overige reclame-inkomsten is 31.765 euro (na aftrek van de kosten voor activiteiten van de SC). Bij overschrijding van deze grens moet over álle sponsorinkomsten BTW worden afgedragen. Sponsors kennen dat probleem niet omdat de voorheffing kan worden teruggevorderd. Het loont zeer de moeite om maatregelen te nemen die voorkomen dat de BTW-grens overschreden wordt, bijvoorbeeld door de inkomsten uit bordreclame onder te brengen in een aparte stichting.
Maximaal rendement
Inzicht in de inkomsten uit sponsoring stelt het bestuur in staat om sturend op te treden en er het maximale rendement voor de vereniging uit te halen. Dat is des te belangrijker nu er een tendens lijkt te bestaan waarin meer sponsorgeld voor sportverenigingen beschikbaar komt als gevolg van de verschuiving van reclamegelden van media naar sponsoring. Gegeven ook het feit dat de ledenaantallen van veel sportclubs teruglopen - en de afhankelijkheid van sponsorgeld dus toeneemt - is de noodzaak des te groter.
Hoe zit het met aansprakelijkheid tijdens de bouw van een clubhuis waaraan ook eigen leden meehelpen?
Situatieschets
Een sportvereniging heeft een aannemer de opdracht gegeven om voor de vereniging een clubhuis te bouwen. Tijdens de bouw is er een aantal leden dat geheel vrijwillig - zonder hier een vergoeding voor te krijgen - meehelpt met de bouw. Wat is er in deze situatie geregeld op het gebied van de aansprakelijkheid (van de vereniging of het bouwbedrijf) als een van de leden tijdens het bouwen een ongeluk krijgt?
Antwoord
Indien leden vrijwillig meehelpen met de bouw van het clubhuis is het in eerste instantie van belang om te realiseren dat deze mensen geen overeenkomst hebben. Zo is er in beginsel geen sprake van een arbeidsrelatie met bijvoorbeeld de aannemer dan wel de vereniging. Op een werkgever rust de wettelijke zorgplicht om te voorkomen dat er ongevallen gebeuren; zij moet zorgen voor een veilige werkomgeving (7:658 BW). Deze wettelijke plicht is van toepassing indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Artikel 7:610 BW bepaalt dat van een arbeidsovereenkomst sprake is indien het lid zich persoonlijk gebonden heeft arbeid voor de stichting te verrichten tegen een beloning en de vereniging gerechtigd is aanwijzingen te geven (gezagsverhouding). Daarnaast gaat men er vanuit (rechtsvermoeden) dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst indien het lid tegen beloning gedurende drie opeenvolgende maanden - wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand - arbeid verricht ten behoeve van de vereniging (art. 7:610a BW). In het geval van de sportvereniging is van een arbeidsrelatie met de leden geen sprake zodat artikel 7:658 BW in beginsel niet van toepassing is.Het Hof Arnhem (Hof Arnhem 11 januari 2005, JAR 2005, 49) heeft echter uitgemaakt dat vrijwilligers die geen beloning ontvangen, maar verder wel aan alle vereisten van een arbeidsovereenkomst voldoen (zie 7:610 BW: persoonlijk gebonden en gezagsverhouding) onder de bescherming van 7:658 lid 4 BW vallen. In de specifieke situatie zal moeten worden beoordeeld of er sprake is van een persoonlijke gebondenheid ten opzicht van de vereniging. Van een gezagsverhouding zal wel sprake zijn, aangezien de vrijwilligers niet zelf bepalen wat er moet gebeuren op de bouw. Hierbij is het wel weer van belang dat de gezagsverhouding geldt tussen de vrijwilliger en de stichting. Door deze uitspraak van het Hof Arnhem rust op de stichting dus een zorgplicht ten aanzien van de vrijwilligers. Schaadt de stichting deze zorgplicht dan zal zij aansprakelijk kunnen zijn. In zoverre is het aan te raden de werkomgeving van de vrijwilligers zo in te richten dat ongevallen worden voorkomen. Een lid is zelf aansprakelijk indien het ongeval in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid (art. 7:658 BW en Hof Arnhem 11 januari 2005, JAR 2005, 49).Het is gebruikelijk dat de aannemer of de opdrachtgever een CAR-verzekering afsluit voor een bouwproject. Een goede CAR-verzekering dekt schade aan de bouw en schade aan personen, ongeacht de oorzaak of schuld. Mocht er tijdens de bouw dus iets gebeuren met de vrijwilligers die helpen op de bouw, dan kan dit onder de verzekering worden gebracht en hoeft men niet toe te komen aan de vraag wie aansprakelijk is. Wij adviseren u erop toe te zien dat er in voorkomende gevallen een deugdelijke CAR-verzekering wordt afgesloten.
Wat betekent ‘bestuurdersaansprakelijkheid’ precies?
Bestuurdersaansprakelijkheid is het aansprakelijk zijn als bestuurder van een rechtspersoon. Onder meer verenigingen en stichtingen zijn rechtspersonen en zullen dus ook met de bestuurdersaansprakelijkheid te maken kunnen krijgen. Uitgangspunt bij bestuurdersaansprakelijkheid is dat een bestuurder bij het uitvoeren van zijn/haar taken de vereniging vertegenwoordigt waarvan hij/zij bestuurder is. Als bijvoorbeeld een bestuurder van een vereniging een arbeidsovereenkomst sluit, is de vereniging in juridisch opzicht partij bij die overeenkomst. Ook als een bestuurder fouten maakt bij de uitvoering van zijn taken is de rechtspersoon in beginsel daarvoor aansprakelijk. De bestuurder moet immers naar eigen inzicht leiding kunnen geven aan de rechtspersoon en daarbij kan wel eens wat misgaan. Zo kan het bestuur van een vereniging na gedegen onderzoek, het inwinnen van deskundig advies en het opvragen van verschillende offertes schriftelijk opdracht geven tot de bouw van een nieuwe accommodatie. Als er vervolgens toch problemen ontstaan - de kosten vallen bijvoorbeeld hoger uit dan geraamd of de aannemer gaat failliet - dan zal de rechtspersoon voor de gevolgen daarvan op moeten draaien. Het bestuur heeft het besluit immers op zorgvuldige wijze genomen. Op de regel dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is, bestaan echter uitzonderingen. Daarvan is sprake als de bestuurder ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.
Interne en externe aansprakelijkheid
Er is een verschil tussen derden die een bestuurder aanspreken en de rechtspersoon zelf die een eigen bestuurder aanspreekt. Voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt wordt de term ‘ínterne aansprakelijkheid’ gebruikt, terwijl voor aansprakelijkheid tegenover derden de term ‘externe aansprakelijkheid’ geldt. Het is belangrijk dit onderscheid goed in de gaten te houden, omdat voor beide vormen van aansprakelijkheid verschillende normen gelden.Voor interne aansprakelijkheid moet komen vast te staan dat de bestuurder de hem opgedragen taak niet behoorlijk heeft vervuld. Hem moet daarbij een ernstig verwijt gemaakt kunnen worden, terwijl hij geen maatregelen getroffen heeft om de ingetreden schade te voorkomen.
Voor externe aansprakelijkheid moet komen vast te staan dat de bestuurder zelf onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de derde. Dat wil zeggen dat hij handelt in strijd met wat in de maatschappelijke omgang acceptabel is. Een goed voorbeeld hiervan is de bestuurder die verplichtingen tegenover een derde aangaat, terwijl hij weet dat de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt deze verplichtingen nooit na kan komen.
Collectieve en hoofdelijke aansprakelijkheid
Als eenmaal wordt aangenomen dat een bestuurder aansprakelijk is, betekent dat in beginsel een collectieve aansprakelijkheid. Dat wil zeggen dat alle bestuurders aansprakelijk zijn. Reden hiervoor is dat het besturen van een rechtspersoon volgens de wet aan het bestuur als geheel opgedragen is. Een individuele bestuurder zal zich aan deze aansprakelijkheid slechts kunnen onttrekken als hij aan kan tonen tegen de handelingen in kwestie bezwaar te hebben gemaakt, bijvoorbeeld doordat hij daar in vergaderingen tegen heeft gestemd. De aansprakelijkheid is ook hoofdelijk, dat wil zeggen dat iedere bestuurder voor de gehele schade kan worden aangesproken. Als een bestuurder wordt aangesproken en die bestuurder voldoet de schade, dan kan hij die uiteraard wel weer op de medebestuurders verhalen, behoudens zijn eigen aandeel.
Décharge
De vereniging kan het bestuur aansprakelijk houden voor fouten tijdens zijn bestuursperiode. Maar dat kan niet als een vereniging na afloop van een bestuursjaar goedkeuring verleent aan het door het bestuur gevoerde beleid. De term voor goedkeuring is ’décharge’. De vereniging ontheft de bestuurder daarmee van zijn aansprakelijkheid. Décharge heeft echter alleen invloed op de interne verhouding tussen de vereniging en het bestuur en kan dus niet een eventuele externe aansprakelijkheid voorkomen!
Wie kunnen iemand aansprakelijk stellen?
Intern kan alleen de vereniging de bestuurders aansprakelijk stellen. Aangezien het bestuur de organisatie vertegenwoordigt, zou het bestuur daarbij zelf een van de medebestuurders aansprakelijk moeten stellen. Het spreekt voor zich dat dit niet snel zal gebeuren. Bij een vereniging kan de ledenvergadering daarom het initiatief nemen om een bestuurder aansprakelijk te stellen. Wat in het kader van interne aansprakelijkheid vaker voorkomt, is dat na faillissement de curator een bestuurder namens de (failliete) vereniging aansprakelijk stelt. Bij externe aansprakelijkheid kunnen alle derden die schade hebben geleden door het handelen van een bestuurder/het bestuur, in actie komen.
Is het mogelijk een trainer meer te vergoeden dan is vrijgesteld in de vrijwilligersregeling, zonder dat de vereniging inhoudingsplichtig wordt voor de loonbelasting?
Indien een trainer niet langer kan worden aangemerkt als vrijwilliger omdat zijn vergoeding meer bedraagt dan fiscaal toegestaan, dient de vereniging na te gaan of de arbeidsverhouding met de trainer zich kwalificeert als een (fictieve) dienstbetrekking. Mocht blijken dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking, dan is de vereniging inhoudingsplichtig voor de loonheffingen en dient zij op de vergoeding aan de trainer loonheffingen in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst. Hierna zullen wij uiteenzetten op welke wijze een vereniging dient te toetsen of er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. De uitkomst van deze toets is erg afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Een dienstbetrekking is aanwezig wanneer er sprake is van een gezagsverhouding, loon en het persoonlijk verrichten van arbeid. Wanneer er geen sprake is van een ‘echte’ dienstbetrekking, kan er mogelijk sprake zijn van een ‘fictieve’ dienstbetrekking tussen de vereniging en de trainer. In de praktijk blijkt wanneer trainers in fictieve dienstbetrekking werkzaam zijn, dit doorgaans op grond van de zogenoemde ‘gelijkgesteldenregeling’ is. Er is sprake van een gelijkgestelde wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de arbeidsverhouding/overeenkomst wordt aangegaan voor ten minste één maand; én
- de trainer werkt doorgaans op ten minste twee dagen per week, ongeacht het aantal uren per dag; én
- de vergoeding bedraagt ten minste 40% van het wettelijke brutominimumloon; én
- de trainer verricht de werkzaamheden persoonlijk.In de praktijk is de Belastingdienst bij trainers snel van mening dat er sprake is van een dienstbetrekking. Wanneer trainers in dienstbetrekking werkzaam zijn voor de vereniging, heeft dit tot gevolg dat de vereniging inhoudingsplichtig is. De vereniging zal zich dan moeten melden bij de Belastingdienst en maandelijks loonheffingen moeten inhouden en afdragen. Hiertoe dient de vereniging een loonadministratie aan te leggen en in beginsel maandelijks elektronisch aangifte te doen bij de Belastingdienst. Daarnaast rusten op de vereniging verplichtingen als:
- een loonstaat aanleggen;
- een ‘eerstedagsmelding’ doen;
- identiteit van de trainers vaststellen en een kopie identiteitsbewijs (geen rijbewijs!) bewaren;
- jaaropgaaf aan de trainer verstrekken.Wanneer de normbedragen van de vrijwilligersregeling overschreden worden, en er is vastgesteld dat er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking, betekent dit in beginsel dat het gehele honorarium loon vormt. Een uitzondering hierop vormen de kosten welke binnen de fiscaal hieraan gestelde regels onbelast vergoed mogen worden.
Verklaring Arbeidsrelatie (VAR)
De hiervoor beschreven inhoudingsplicht geldt niet wanneer de vereniging beschikt over een afschrift van een juiste en geldige verklaring arbeidsrelatie (VAR). Op het moment dat de trainer een verklaring Winst uit Onderneming of een verklaring DGA overlegt, kan inhouding van loonheffingen achterwege blijven. Een dergelijke verklaring wordt door de Belastingdienst over het algemeen alleen afgegeven aan trainers die beroepsmatig voor meerdere opdrachtgevers actief zijn.
Voorwaarde is dat de vereniging een kopie van het paspoort en een kopie van de VAR in de administratie bewaart en de werkzaamheden op de VAR overeenstemmen met de werkzaamheden die worden verricht. Verder dient de verklaring geldig te zijn ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden.Indien de trainer geen verklaring Winst uit Onderneming of DGA kan overleggen, en zijn werkzaamheden voor de vereniging niet verricht uit hoofde van een dienstbetrekking bij een andere werkgever, moet zoals hiervoor beschreven is beoordeeld worden of de vereniging loonheffingen moet inhouden en afdragen over de beloning.
Resumé
Wanneer de vereniging voornemens heeft meer te betalen dan de vrijgestelde bedragen van de vrijwilligersregeling, dient zij op grond van de vorenstaande regels te toetsen of er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Mocht dit het geval zijn dan dient de vereniging op het loon van de trainer loonheffingen in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst. Wanneer een trainer een VAR-DGA of een VAR-WUO kan overleggen, kan de inhouding van loonheffingen achterwege blijven.
Kan een aan de vennootschapsbelasting onderworpen besloten vennootschap kwalificeren als sportorganisatie in de zin van de vrijwilligersregeling?
Uitgangspunt bij de vrijwilligersregeling is dat een vrijwilliger niet bij wijze van beroep arbeid verricht. Dit uitgangspunt geldt voor sportorganisaties én andere organisaties die niet zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Vóór 2006 was de vrijwilligersregeling beperkt tot sportorganisaties die niet de rechtsvorm hadden van een NV of BV. In de huidige wettelijke regeling is deze beperking niet langer opgenomen, omdat er vanuit kan worden gegaan dat de desbetreffende vennootschappen sterk met amateur-organisaties zijn verweven. Hierdoor kunnen sportorganisaties de vrijwilligersregeling toepassen, ongeacht of ze aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen en ongeacht de rechtsvorm.
Probleem hierbij is dat niet exact duidelijk is wat nu een sportorganisatie is. Dit betekent dat het onduidelijk is of een commercieel vennootschapsbelastingplichtig bedrijf een sportorganisatie kan zijn en om die reden gebruik mag maken van de vrijwilligersregeling. De wettekst geeft hierover geen duidelijkheid. Wel valt uit geschiedenis van de regeling en de parlementaire stukken af te leiden dat het niet de bedoeling is dat commerciële organisaties met een winstoogmerk de regeling toepassen. Tijdens de parlementaire behandeling wordt hierover onder andere opgemerkt dat:“Alle sportorganisaties, ongeacht of deze belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting, kunnen dan ook volgens het voorstel gebruik maken van de vrijwilligersregeling. Te verduidelijking wordt in dit kader opgemerkt dat de mogelijkheid om de vrijwilligersregeling toe te passen aldus niet afhangt van de gekozen rechtsvorm. De regering deelt het standpunt van de VVD-fractie dat de voorgestelde regeling bij voorkeur van toepassing moet zijn op alle activiteiten van maatschappelijke, sociale, culturele, kerkelijke, levensbeschouwelijke of algemeen nut beogende aard mits met die activiteiten geen winst wordt beoogd en de activiteiten niet leiden tot een ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen”Naar onze mening kan uit het vorenstaande worden afgeleid dat het niet de bedoeling is dat een commerciële sportorganisatie gebruik kan maken van de vrijwilligersregeling. Toch is het naar onze mening mogelijk om vooraf met de Belastingdienst in overleg te treden over de toepassing van de vrijwilligersregeling voor deze specifieke groep ‘vrijwilligers’
Moet er belasting betaald worden over loterijen die georganiseerd worden door de verenigingen?
Om extra inkomsten te genereren organiseren verenigingen vaak allerlei loterijen, prijsvragen, bingoavonden etc. Dit kan als gevolg hebben dat er eventueel kansspelbelasting afgedragen moet worden. Wat is nu precies een kansspel en waar moet belasting over worden betaald? Een kansspel is een spel waarbij de deelnemer geen (overwegende) invloed heeft op de uitslag. Wanneer een spel wordt aangemerkt als kansspel moet er ook kansspelbelasting afgedragen worden over de prijzen. Spelen zoals bingo en loterijen zijn bijvoorbeeld kansspelen, hier heeft de deelnemer namelijk geen invloed op de uitslag van het spel.Puzzelacties zoals het oplossen van een rebus of een cryptogram worden ook gezien als een kansspel terwijl de deelnemer toch zelf de puzzel oplost en wel degelijk invloed heeft op de uitkomst. De puzzelacties zijn toch een kansspel omdat de winnaar wordt gekozen uit het aantal goede inzendingen. De deelnemer heeft dus wel invloed op de uitkomst van de puzzel, maar niet direct op de uitslag van het spel.
Prijsvraag
Het houden van een prijsvraag zoals het verzinnen van een slagzin of limerick wordt niet gezien als kansspel. Hier wordt de winnaar namelijk gekozen door een jury omdat het de beste inzending is. Nu is de mening van een jury een relatief begrip en heeft de deelnemer niet voor de volle 100% invloed op de uitslag, maar toch wordt zo’n prijsvraag niet gezien als kansspel omdat hier wel degelijk sprake is van een overwegende invloed op de uitslag van het spel door de deelnemer.
Vergunning
Voor het houden van een kansspel is het verplicht om een vergunning aangevraagd te hebben. De vergunningen moeten aangevraagd worden bij het college van burgemeester en wethouders. Bij een prijzenbedrag van € 4.500 of hoger moet de vergunning verleend worden door de minister van justitie.Ook is het verplicht een vergunning te hebben wanneer de vereniging een prijsvraag organiseert waarbij de waarde van de hoofdprijs € 2.300 of meer bedraagt. Onder de € 2.300 hoeft er voor prijsvragen geen vergunning aangevraagd te worden.Voor het organiseren van een bingo is óók geen vergunning nodig. Een bingo mag echter alleen worden georganiseerd door een tenminste drie jaren bestaande vereniging en de prijzen per ronde mogen niet meer bedragen dan € 350. Voor de gehele bijeenkomst mag de waarde van de prijzenpot niet meer bedragen dan € 1.400.
Belasting
De vereniging is inhoudingspichtige en moet de belasting die afgedragen dient te worden over de prijs zelf inhouden en afdragen aan de belastingdienst. De winnaar van de prijs krijgt dus altijd een nettoprijs.
Mogen sportverenigingen de persoonsgegevens die leden hebben verstrekt uit hoofde van hun lidmaatschap voor iets anders gebruiken, bijvoorbeeld voor reclamedoeleinden?
Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om persoonsgegevens ‘lukraak’ te gebruiken. Volgens de wet mogen de persoonsgegevens alleen verkregen worden voor uitdrukkelijk omschreven doeleinden en mogen dus niet worden gebruikt op een manier die niet overeenkomt met die doeleinden. Voor sportverenigingen is het doel van het verzamelen van de persoonsgegevens: het registreren van leden in een ledenadministratie voor doeleinden die noodzakelijk zijn voor de verenigingsactiviteiten. Deze doeleinden zijn bijvoorbeeld de inning van contributiegelden of het rondsturen van een clubblad. In beginsel is het dus verboden om meer te doen met de geregistreerde gegevens en ook mogen er niet meer gegevens geregistreerd worden dan noodzakelijk is. Het doel van het verkrijgen van de gegevens en het doel van het gebruik van de gegevens moeten dus hetzelfde zijn. Wel mogen gegevens op andere manieren gebruikt worden wanneer er voor dat specifieke gebruik uitdrukkelijk toestemming is gevraagd en verkregen. De regelgeving op het gebied van persoonsgegevens is omvangrijk. Mocht u bijvoorbeeld van plan zijn om aanbiedingen te doen aan leden door gebruik te maken van emailadressen in plaats van per post, dan gelden er naast de Wet bescherming persoonsgegevens ook nog andere wettelijke regels. Deze Spam-regels kunnen van grote invloed zijn en kunnen ook grote financiële gevolgen hebben.
Hoe moet een ontvangen subsidie worden verwerkt in de berekening van de jaarlijkse afschrijvingslast van de sportaccommodatie?
Wettelijk kader
Om een antwoord te kunnen geven over de verwerkingswijze van de subsidie in de financiële verantwoording moet eerst de vraag worden beantwoord aan welk regelgeving deze verantwoording is onderworpen. Titel 9 Boek 2 BW
In Titel 9 Boek 2 BW zijn regels neergelegd met betrekking tot de jaarrekening en het jaarverslag van onder andere zogenaamde commerciële stichtingen en commerciële verenigingen. Op grond van Titel 9 dienen deze een jaarrekening op te maken en deze jaarlijks te deponeren bij de Kamer van Koophandel. Niet-commerciële verenigingen en stichtingen vallen niet onder Titel 9 en hebben dus niet de plicht een eigen jaarrekening overeenkomstig Titel 9 op te maken en te deponeren. Wel hebben zij de plicht jaarlijks een balans en een staat van baten en lasten op te stellen. Voor deze balans en staat van baten en lasten gelden echter geen inhoudelijke voorschriften. Deponering van deze stukken komt niet aan de orde.Overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW worden stichtingen en verenigingen als commercieel aangemerkt als zij aan de volgende voorwaarden voldoen. Zij moeten hun jaarrekening dan inrichten en deponeren bij het handelsregister conform de eisen van Titel 9. Deze voorwaarden zijn:
1. de stichting of vereniging houdt een of meer ondernemingen in stand die in het handelsregister moet(en) worden ingeschreven; en
2. de netto-omzet van deze ondernemingen bedraagt ten minste € 4,4 miljoen; en
3. de stichting of vereniging valt niet onder een bijzondere regelgeving waardoor de stichting of vereniging bij of krachtens de wet een financiële verantwoording op moet stellen die gelijkwaardig is aan een jaarrekening opgesteld op basis van Titel 9 en deze tevens openbaar maakt.Wij gaan ervan uit de meeste verenigingen, niet-commerciële verenigingen zijn. Zij zouden dan niet gebonden zijn aan voorschriften over het opmaken van een financiële verantwoording. Omdat wij echter van mening zijn dat dit wel een goede manier is van opmaken van de financiële verantwoording is, zullen wij hierna ingaan op de wijze van verwerking van de subsidie op grond van Titel 9. Indien deze methodiek wordt gevolgd, is de verwerking in ieder geval juist.
Verwerking volgens Titel 9
Aard van de subsidie
De aard van de subsidie is bepalend voor de voorgeschreven verwerkingswijze. Stel dat de subsidie een permanente gift is van de subsidieverstrekker en dat deze onder geen beding terugbetaald hoeft te worden aan de subsidieverstrekker. Mocht het pand tussentijds verkocht worden en zou door deze verkoop een evenredig deel van de subsidie teruggegeven moeten worden, dan doet dit geen afbreuk aan de onderstaande verwerkingswijze. Verwerking subsidie
De ontvangen subsidie kan óf ten laste van de aanschafwaarde worden gebracht óf separaat aan de creditzijde worden opgenomen.
Bij de eerstgenoemde verwerkingswijze wordt dus slechts over een bedrag van bijvoorbeeld € 400.000 afgeschreven. Bij een afschrijving over 30 jaar bedraagt dit jaarlijks € 13.333.
Bij de tweede verwerkingswijze wordt er over het pand jaarlijks afgeschreven, maar valt de gepassiveerde subsidie jaarlijks vrij ten gunste van het resultaat. Deze bate wordt samengevoegd met de afschrijvingslast. Per saldo zal ook bij deze verwerkingswijze de last € 13.333 bedragen.
Afschrijvingsmethodiek
Voor de bepaling van de afschrijving dient de economische levensduur en de restwaarde te worden vastgesteld. Wij gaan er van uit dat er geen restwaarde voor het pand in acht wordt genomen. Nu doorgaans bij de afschrijving van een pand rekening wordt gehouden met een restwaarde, raden wij u aan om in uw geval te bekijken in hoeverre dit standpunt reëel is.
Samenvattend
Er vanuit gaande dat de verenging niet als een commerciële vereniging wordt aangemerkt, is Titel 9 Boek 2 BW niet op haar van toepassing, waardoor geen eisen worden gesteld aan haar jaarstukken. Wij raden echter aan om de jaarstukken op te maken conform Titel 9. Indien deze opmaak wordt gevolgd, zal de ontvangen subsidie (mits deze niet hoeft te worden terugbetaald) per saldo het afschrijvingsbedrag verminderen. Daarnaast raden wij u aan om voor uw geval te bekijken in hoeverre het standpunt dat ter zake van de afschrijvingsberekening geen restwaarde in acht wordt genomen reëel is.
Sportverenigingen verhuizen samen van hun oude accommodaties naar één nieuw te bouwen complex. Is er voor de verenigingen een gunstige regeling waardoor er BTW zou kunnen worden bespaard?
Deze vraag heeft betrekking op een case waarbij verschillende sportverenigingen vanwege een herstructurering moeten verhuizen van hun huidige accommodatie naar een geheel nieuw te realiseren accommodatie. De nieuwe sportaccommodatie zal door minimaal twee sportverenigingen gebruikt worden. De sportverenigingen overwegen om een stichting op te richten om de nieuwe accommodatie te realiseren. De stichting zal de verenigingen gelegenheid geven tot sportbeoefening in de sportaccommodatie. Een cruciale vraag is: hoe kunnen de werkzaamheden van de stichting op een voor de BTW-heffing gunstige manier worden vorm gegeven?
Gelegenheid geven tot sportbeoefening
Aangezien sportverenigingen vrijgestelde prestaties verrichten, hebben zij geen recht op aftrek van BTW op de kosten van de bouw van de sportaccommodatie als die sportverenigingen zelf de sportaccommodatie realiseren. In dit geval is echter de bedoeling om de stichting de sportaccommodatie te laten realiseren. In dat geval dient beoordeeld te worden of de dienst die de stichting aan de sportverenigingen verricht al dan niet met BTW moet worden belast. Verhuur van onroerend goed is overigens in beginsel vrijgesteld van BTW. Het kan echter zijn dat de aard van de dienstverlening uitgebreider is dan alleen maar verhuur en wordt beschouwd als het gelegenheid geven tot sportbeoefening in een sportaccommodatie. Wanneer diensten inzake het gelegenheid geven tot sportbeoefening door de stichting aan bepaalde voorwaarden voldoen, kan het verlaagde BTW-tarief (6%) worden gehanteerd. In besluiten van begin 2005 en eind september 2007 heeft het Ministerie van Financiën bijvoorbeeld uitgelegd in welke gevallen het 6% BTW-tarief mag worden toegepast voor gelegenheid geven tot sportbeoefening in een sportaccommodatie:
- het gebruik van de accommodatie is voor de afnemer van de prestatie beperkt tot het daarin beoefenen van sport;
- de afnemer gebruikt de accommodatie om zelf te sporten of om anderen onder zijn/haar leiding te laten sporten. Zo is het verlaagde BTW-tarief ook van toepassing als de afnemer een (sport)vereniging is die haar leden gelegenheid geeft te sporten of een school die de leerlingen laat sporten;
- het onderhouden, schoonmaken of beveiligen van de accommodatie wordt verzorgd door of vanwege de exploitant van de sportaccommodatie;
- samen met de accommodatie moeten ook de attributen, die noodzakelijk zijn voor het beoefenen van de sport, door of vanwege de exploitant aan de sporter(s) ter beschikking worden gesteld (bij bepaalde sporten is het gebruikelijk dat de sporters zelf bepaalde sportattributen meenemen. In die gevallen kan niet aan de exploitant van de sportaccommodatie tegengeworpen worden dat hij/zij die attributen niet ter beschikking stelt);
- aanvullende voorzieningen die de prestatie van het geven van gelegenheid tot sporten in een sportaccommodatie mogelijk maken. Te denken valt onder andere aan kleed- en doucheruimten en sanitaire voorzieningen.Tevens dienen de stichting en de sportverenigingen niet te nauw met elkaar verwezen zijn om te voorkomen dat een fiscale eenheid omzetbelasting gevormd kan worden.Wanneer aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, kan het verlaagde btw-tarief toegepast worden. De stichting dient over de vergoeding die zij in rekening brengt aan de sportverenigingen voor het gelegenheid geven tot sportbeoefening 6% BTW te berekenen.
Aftrek voorbelasting
Wanneer de diensten worden beschouwd als gelegenheid geven tot sportbeoefening, kan de stichting de BTW - die in rekening wordt gebracht over de kosten van de bouw van de sportaccommodatie - in aftrek brengen. Het is daarom van belang dat integraal aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, zodat het verlaagd BTW-tarief toegepast kan worden. Aangezien de sportverenigingen in beginsel vrijgestelde prestaties verrichten, kunnen zij de 6% BTW - die door de stichting in rekening wordt gebracht over de vergoeding voor het gelegenheid bieden tot sportbeoefening - niet in aftrek te brengen.
Conclusie
Voor BTW-doeleinden is het voordelig om een stichting de nieuwe sportaccommodatie te laten realiseren en aan de sportverenigingen gelegenheid te bieden tot sportbeoefening. De stichting kan de BTW - die in rekening wordt gebracht voor de bouw van de sportaccommodatie - in aftrek brengen, mits aan vermelde voorwaarden voor het gelegenheid geven tot sportbeoefening wordt voldaan. Wij adviseren om vooraf de overeenkomsten tussen de stichting en de vereniging zorgvuldig te laten beoordelen. Tevens raden wij u aan de situatie af te stemmen met de belastingdienst.
Een vereniging komt met haar inkomsten uit fondswerving boven de vrijstellingsgrens uit, en genereert daarnaast ook inkomsten uit de ‘Club van 100’. Zijn deze inkomsten belast met BTW?
Dat hangt er van af. De contributie voor de Club van 100 is een vorm van sponsoring als de leden als tegenprestatie naamsvermelding krijgen op een bord dat in de kantine hangt of als ze worden genoemd in het clubblad. En sponsorinkomsten zijn in beginsel belast met BTW als de inkomsten van de vereniging uit fondswerving de vrijstellingsgrens (van € 31.765) overstijgen. Stel dat de leden van de Club van 100 per persoon € 50 betalen, dan zal de vereniging steeds 19/119 deel van dat bedrag aan BTW moeten afdragen. Maar als de namen van de leden niet vermeld worden op bijvoorbeeld een bord in de kantine of in het clubblad, dan is er geen sprake van tegenprestatie en dus ook niet van sponsoring. De contributie is dan niet belast met BTW. In dat geval wordt de betaling door de fiscus mogelijk als een schenking beschouwd. Over een schenking is de ontvanger schenkingsrecht verschuldigd, wat hoger is dan de te betalen BTW (41%, oplopend tot maximaal 68% bij schenkingen vanaf € 894.948). Echter, voor schenkingsrecht bestaat een drempelvrijstelling van € 2.688 (bedrag 2008). Deze vrijstelling geldt voor elke schenking afzonderlijk. Een schenking van de Club van 100 aan de vereniging wordt als één schenking gezien, dus niet de betalingen van de verschillende leden aan de Club van 100!
Blijft de vereniging onder de vrijstelling, dan is er geen schenkingsrecht verschuldigd. Komt de vereniging boven de vrijstelling uit, dan moet er over het gehele bedrag schenkingsrecht worden afgedragen. Dit laatste is al gauw het geval als de Club inderdaad honderd leden heeft (in de veronderstelling dat zij per persoon gemiddeld meer dan € 26,88 per jaar betalen). Het is dus voor leden die uit vrijgevigheid een schenking willen doen aan de vereniging zonder daar iets voor terug te hoeven zien verstandiger om dit rechtstreeks aan de vereniging te doen dan via een Club van 100. Afzonderlijke schenkingen van leden die direct aan de vereniging worden gedaan zullen niet snel belastbaar zijn voor de vereniging (zie de drempelvrijstelling van € 2.688) en zullen dus het meeste effect sorteren.
Hoe staat het met de aansprakelijkheid van verenigingen of bonden als zij en hun sporters een sportevenement in binnen- of buitenland bezoeken?
Onder aansprakelijkheid wordt verstaan dat 'hij, die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, […] verplicht [is] de schade, die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden' (art. 6:162 lid 1 Burgerlijk Wetboek(BW). Er bestaan verschillende vormen van aansprakelijkheid, bijv. risico- aansprakelijkheden, groepsaansprakelijkheden, etc. Echter, u zult als vereniging of sportbond het meest te maken krijgen met de aansprakelijkheid zoals deze is neergelegd in art. 6:162 BW. Van belang hierbij is dat de schade toegerekend kan worden aan de persoon of vereniging door middel van schuld, de wet en/of de verkeersopvatting. Pas indien hieraan is voldaan kan er worden gesproken van aansprakelijkheid. In de gestelde vraag zijn er twee vormen van aansprakelijkheid mogelijk. Allereerst kan de sportvereniging door de eigen leden, of de ouders van de leden, aansprakelijk worden gesteld. Dit kan gebeuren indien een lid schade heeft geleden en van mening is dat het toegerekend kan worden aan de vereniging, doordat er niet juist is gehandeld of verkeerde voorzorgsmaatregelen zijn genomen. De tweede mogelijkheid is dat de vereniging aansprakelijk wordt gesteld voor gedragingen van de leden door een derde. Omdat deze van mening is dat de gedragingen onder het toezicht van de vereniging vallen. We laten buiten de beschouwing de ongelukken die kunnen gebeuren tijdens de sportevenementen. In het eerste geval van aansprakelijkheid moet er, zoals eerder is uitgelegd, sprake zijn van een toerekenbare schade. De vraag die beantwoordt moet worden is of de vereniging voldoende heeft gedaan om de schade te beperken. De vereniging heeft hierbij een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting (Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 42982/HA ZA 06-1098, JA 2007/129). Oftewel de vereniging moet alle inspanningen leveren die in alle redelijkheid van de vereniging verlangt kunnen worden ter voorkoming van ongevallen. De vereniging moet ervoor zorgdragen dat er voldoende toezicht is en dat de toezichthouders ook voldoende gekwalificeerd zijn. Men moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat jongere kinderen, in een situatie waarbij dat mogelijk is, niet zomaar de straat op kunnen lopen of in gevaarlijke situaties terecht kunnen komen (Rechtbank Leeuwarden, 74254 HA ZA06-60, JA 2007/25). Een andere situatie is wanneer bijvoorbeeld een aantal sporters tijdens een door de vereniging of sportbond georganiseerde reis na hun wedstrijd nog iets drinken in een café in de stad. Stelt u zich voor dat iemand van de sporters op de terugweg struikelt en daarbij iets breekt, doordat men teveel heeft gedronken. Dit kan in beginsel niet aan de vereniging worden toegerekend. Iedereen weet dat als je gedronken hebt, dat dit van invloed is op je motoriek en dat dit kan leiden tot ongelukken. Hiervoor kan de vereniging niet aansprakelijk worden gesteld (Gerechthof Arnhem, 2003/582, JA 2005/19). Het is echter verstandig vooraf mensen hierop te wijzen dat het drinken op eigen verantwoordelijkheid gebeurt en dat ook activiteiten die men op eigen houtje onderneemt voor eigen risico komen. Immers de vereniging kan hierin in alle redelijkheid niet voorzien qua toezicht. In het tweede geval van aansprakelijkheid is het van belang dat in de eerste plaats de handeling die schade heeft berokkend, kan worden toegerekend aan de dader zelf, alvorens deze aansprakelijkheid kan worden ‘overgedragen’ op de vereniging. Een voorbeeld maakt dit duidelijker als we teruggaan naar een biertje drinken na de wedstrijd en één van de sporters zoekt ruzie en slaat een ander persoon het ziekenhuis in, is dit dan toerekenbaar aan hem? Jazeker, maar is het toerekenbaar aan de vereniging; nee. Bij elke situatie hangt de aansprakelijkheid af van de omstandigheden die een rol spelen in de desbetreffende situatie, dus wanneer, waar en onder welk toezicht is iets gebeurd. Als er een begeleider van de vereniging bij is dan kan het een ander verhaal zijn (Hoge Raad, C05/270HR, JA 2007/81). Het feit dat er een begeleider van de vereniging meegaat is immers van invloed op omstandigheden die een rol spelen bij de aansprakelijkheidsvraag. Wat mag je van de begeleider verwachten, welke inspanningen zijn in alle redelijkheid te verlangen van de begeleider. Om te voorkomen dat de aansprakelijkheidsvraag beantwoordt moet worden, adviseren wij verenigingen en bonden die tegen dit soort dilemma’s aan lopen, altijd om een soort van (gedrags)regels op te stellen voor de sporters en hun ouders die met de desbetreffende reis meegaan. In de brief met regels kan duidelijk worden verwoord wat het doel van de reis is, wat het reisgezelschap van de organisatie en begeleiding van de reis mag verwachten en welke activiteiten er georganiseerd worden ondernomen. In deze regels kan dan ook expliciet worden vermeld welke gedragingen het reisgezelschap al dan niet individueel op eigen risico onderneemt en waarvoor de vereniging of bond niet aansprakelijk gehouden kan worden. Wil je ervoor zorgen dat mensen in een later stadium ontkennen dat ze deze brief met regels hebben ontvangen, is het aan te raden om het reisgezelschap ervoor te laten tekenen. De vraag of een sportbond dan wel een sportvereniging grote risico’s loopt qua aansprakelijkheid is niet eenduidig te beantwoorden. Bij de aansprakelijkheidsvraag spelen diverse factoren een rol: wie, wanneer, onder welk toezicht, op welk moment, enz. Het is dan ook raadzaam om vooraf duidelijk te scheppen over zaken als wat wel en wat niet mag, zodat hierover in een later stadium geen discussie kan ontstaan. En zodat het voor eenieder duidelijk is wanneer men op eigen verantwoordelijkheid handelt. Verzekeringstechnisch gezien bestaat er de mogelijkheid een groepsverzekering af te sluiten. Echter om duidelijk in kaart te krijgen wat de mogelijkheden precies zijn is het raadzaam een verzekeraar te consulteren. NB: de genoemde uitspraken en arresten zijn hier op te zoeken
Wie krijgt als het rookverbod voor de horeca ingaat, eventuele boeten voor een overtreding van dat verbod?
Vanaf 1 juli a.s. zal het niet meer zijn toegestaan om te roken in een sportcentra/sportkantine. In de huidige Tabakswet is in artikel 11a opgenomen dat "werkgevers verplicht zijn maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder of overlast van roken door anderen te ondervinden". Bij Algemene maatregel van bestuur, te weten in het ‘Besluit uitzonderingen rookvrije werkplek’, worden uitzonderingen gemaakt op de wettelijke plicht van de rookvrije werkplek. Op dit moment vallen niet gesubsidieerde sportcentra, evenals de horeca, onder de uitzonderingen. Dit gaat dus veranderen. Sportaccommodaties zullen aldus vanaf 1 juli 2008 niet meer onder de uitzonderingen vallen, maar gewoon onder de werking van de Tabakswet, én dus ook moeten voldoen aan de wettelijke plicht van het verschaffen van een rookvrije werkplek. Overtreding van de Tabakswet kan worden bekeurd met een boete. De boete is een zogenaamde bestuurlijke boete, wat betekent dat deze niet door de rechter, maar door de minister van Volksgezondheid wordt opgelegd. De hoogte van de boete hangt af van de aard en de ernst van de overtreding. De boeten kunnen worden opgelegd aan de natuurlijke of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend. De vraag is in zoverre: aan wie kan de overtreding worden toegerekend? In de Tabakswet, en dan in de bijlage bij de Tabakswet, is onder categorie C omschreven wat onder een overtreding wordt verstaan. Kort samengevat: het nalaten van zodanige maatregelen te treffen dat werkzaamheden kunnen worden verricht zonder daarbij hinder of overlast van roken te ondervinden. Oftewel in de Tabakswet is niet het roken de overtreding, maar het niet treffen van bepaalde maatregelen zodat zonder hinder en overlast van roken kan worden gewerkt. De insteek van de Tabakswet is dat een rookvrije werkplek wordt gecreëerd voor werknemers, niet dat mensen minder gaan roken. In het kader van de formulering van de overtreding is dus niet de roker de overtreder, maar de beheerder van een gebouw, vaak zijnde de sportvereniging. Aan de beheerder c.q. de sportvereniging zal de boete worden opgelegd. In sommige landen is ervoor gekozen om naast de beheerder ook de mogelijkheid op te nemen om een boete op te leggen aan de roker. Onze minister van Volksgezondheid heeft er expliciet voor gekozen om deze mogelijkheid vooralsnog niet op te nemen in de wet; hij is geen voorstander van strafbaarstelling van de roker.
Conclusie 1:
de boete wordt niet aan de roker, maar aan de beheerder c.q. de sportvereniging opgelegd. Een tweede vraag zou kunnen zijn of de boete, welke wordt opgelegd aan de beheerder c.q. de sportvereniging, kan worden doorbelast aan roker? Voor het in rekening brengen van de boete aan de roker zal een juridische grondslag moeten bestaan. Tussen de beheerder c.q. de sportvereniging en de roker bestaat geen contractuele relatie op grond waarvan de boete aan hem doorbelast kan worden. Het lidmaatschapscontract kan niet als grondslag dienen omdat het contract daar niet op ziet. Indien er geen contractuele relatie is tussen de beheerder c.q. de sportvereniging en de roker op grond waarvan de boete doorbelast kan worden, bestaat er alleen de mogelijkheid om het bedrag te vorderen op grond van een onrechtmatige daad. De beheerder c.q. sportvereniging zal dan moeten stellen en bewijzen dat er sprake is van een onrechtmatige daad van de roker. Dit is geen eenvoudig klus. Daarbij ook nog de kantekening dat de roker, hetgeen te verwachten is, de boete niet vrijwillig zal betalen. Wil de beheerder c.q. de sportvereniging de boete dan kunnen doorbelasten dan zal geprocedeerd moeten worden. Aangezien het voeren van een juridische procedure een kostbare aangelegenheid is, is dit niet aan te raden.
Conclusie 2:
het doorbelasten van eventuele boeten is geen eenvoudige klus. Voor het doorbelasten van de boeten moet er sprake zijn van een contractuele relatie die voor het doorbelasten als basis kan bieden. Zonder contractuele relatie kan alleen getracht worden om de boete door te belasten op grond van een onrechtmatige daad. Los van het feit dat dit een ingewikkeld leerstuk is, zal het een kostbare aangelegenheid zijn om de boeten door te belasten op grond van een onrechtmatige daad. Het is als beheerder c.q. sportvereniging beter om er alles aan te doen om boeten te voorkomen. Het is aan te raden om in het huishoudelijk reglement op te nemen dat het verboden is om te roken in het gebouw en dat iemand wordt verwijderd indien hij of zij wel rookt. Het is immers de taak van de beheerder c.q. sportvereniging om een rookvrije werkplek te garanderen. Dat kan alleen door ook streng op te treden tegen overtredingen.